Belone belone |
Naar andere verslagen van deze visser. |
Tijdens de gesloten tijd is het voor ons roofvissers een stuk kalmer op visgebied. Feederen, eens met de vaste stok vissen. Allemaal leuk voor een paar keer, maar ik word het al snel beu als er voor de zoveelste maal een slijmjurk de maden genomen heeft.
Het is niet de adrenaline die je krijgt van een knalharde aanbeet van een baars, snoek of snoekbaars.
Toch is er rond begin mei al enig lichtpuntje in de lange duistere tunnel te bespeuren.
Als het zeewater warm genoeg wordt trekt de Belone belone, beter bekent als de geep, massaal de Oosterschelde op om te paaien. Tijdens het geepvissen kan je een stukje “roofvisser” van jezelf terug naar boven halen.
In eerste instantie lijkt het niet op verticalen, of werpen met kunstaas. Mits aangepast, licht materiaal is het een leuke en vooral actieve manier van vissen. En laat dat nou net zijn waar ik in mijn visserij veel belang aan hecht.
Materiaal
Een typerend beeld aan de stormvloedkering bij Neeltje Jans, vele geepvissers op een kluitje bij elkaar. Meestal met veel te zwaar materiaal aan de slag, om toch maar zo ver mogelijk te kunnen werpen. Want wat van ver komt is meestal goed…
Zelf gooi ik het liever over een andere boeg en mijd bewust de drukke plaatsen. Ik zoek de plekken op waar je niet ver hoeft te werpen. Het grote voordeel is dan ook dat ik met een veel lichtere hengel en dobber aan de slag kan.
Voor de geepvisserij gebruik ik een zogenaamde “ zachte levend aashengel” die normaal gesproken gebruikt werd om gericht op snoekbaars te vissen met een aasvisje. Deze hengels hebben een lengte van 270 cm tot 3m met een werpgewicht van 10-30 gram. Ook zijn ze voorzien van een leuke parabolische actie, zodat de gepen hem mooi hoepeltje rond trekken.
Mijn molen is er één uit de 2000 serie, opgespoeld met 10/00 dyneema. Als drijver gebruik ik een kleine dobber van 15 of max. 20 gram.
De hoofdlijn gaat eerst door een dun plastic buisje van ongeveer 10 cm lang, vervolgens wordt er een kraaltje op de lijn geschoven en een wartel aan de hoofdlijn geknoopt. Het kraaltje beschermt de knoop. In deze wartel hangen we onze dobber. Als onderlijn gebruiken we nylon van 16/00 tot maximaal 20/00. Fluorcarbon is nog beter, omdat dit nagenoeg onzichtbaar is onder water. Gepen zijn zichtjagers en een te dikke onderlijn kan al snel argwaan wekken. Het is ook mogelijk om nog dunner te vissen, maar dan dien je wel, om de drie vissen je onderlijn te vervangen, omdat een dunnere onderlijn sneller beschadigd wordt door de tandjes van de geep.
Onze onderlijn steken we ook door het kleine buisje en bevestigen we aan dezelfde wartel waar de hoofdlijn aan geknoopt zit. Het buisje is ons “afhoudend vermogen” en zorgt er voor dat we onze combinatie niet in de war gooien. We nemen de onderlijn wel zo lang mogelijk, liefst zo lang als onze hengel. Zo wekken we het minste argwaan bij de schuwe gepen.
Je dient dan wel met een vloeiende beweging in te gooien, terwijl de lijn nog naar achter aan het bewegen is tijdens de worp. Anders blijf je tussen of achter de stenen hangen.
Als haak gebruiken we een zeer dunne langstelige haak, type Blue Aberdeen, nr 6.
O ja, een degelijk waadpak is ook geen overbodige luxe… … Vergeet ook na een sessie je materiaal niet grondig te spoelen met warm water, dit i.v.m. het zeewater. Als je dit vergeet pleeg je een aanslag op je kostbare visspullen.
Aas
Als aas gebruiken we zalmstukjes. Het blijft goed op de haak zitten en je kan soms meerdere gepen vangen met hetzelfde stukje zalm. De vorm van het aasje vind ik zeer belangrijk. Het dient steeds in een puntje uit te lopen, niet te lang en niet te breed. Ons aas moet immers een klein visje nabootsen. Je zorgt er ook voor dat er nog wat roze aanhangt, ongeveer een 0,5 cm dik. Dit komt de stevigheid ten goede.
Een flinterdun velletje is niet zo goed, gewoon gezond verstand en wat ervaring. Daarom laat ik het snijden van het aas over aan mijn pa…
Hoe kom je eraan? Het zijn “zalmbuiken”, afval van de zalmfileerder en te verkrijgen in de vishandel of in de roofviswinkel van Peter. Mijn pa snijdt ze in repen en vriest ze in terwijl ze gestrekt zijn, niet opplooien dus.
Om die mooie vorm van de aasjes te krijgen, dien je deze te snijden als ze nog keihard bevroren zijn. Dat gaat makkelijk met een breekmes. De beste stukjes snijdt je van het “vettige” gedeelte, het lijkt dan wat op spekreepjes.
Maar lang duurt het niet of alles begint mee te geven, omdat het snel ontdooit en dan gaat het versnijden al veel moeilijker. Dus kleine repen invriezen, zodat ze versneden zijn vooraleer het vlees te zacht wordt, tijdens het ontdooien, want dan gaat het niet meer zoals gewenst.
De aasstukjes gaan dan in een portie van 30 stuks , in zilverpapier en een doosje, de diepvries in totdat we ze nodig hebben.
Gaan we vissen, dan gaan ze in een klein koeltasje met de nodige koelelementen. Het aas koel bewaren terwijl je vist is een must.
Worden de stukjes te warm, gaan ze niet goed meer op de haak en komt het vlees los van het vel. De aasjes worden in het breedste deel van het vel, net aan de rand op de haak geprikt.
Aan de slag
Geep wordt belaagd langs de volledige kustlijn en in de Oosterschelde. Kribben die tot ver in het water lopen, havenhoofden. Kortom elke plek waar de stroming onderbroken wordt kan een “hotspot” zijn. Het aas aanbieden in de “stroomkabbeltjes” werkt het best.
Uiteraard speelt het getij een cruciale rol tijdens deze visserij. Ook heb ik graag zonnig weer met niet te veel wind. Als ik tijdens een worp mijn dobber met een “plop” in het water hoor vallen is het naar mijn normen een prima geepweertje.
Zelf vis ik liever tijdens afgaand tij en zorg er dus voor dat ik net voor hoog water op mijn stekje sta. Tijdens hoog water staat de vloed even stil, vooraleer het water terug afgaat. Meestal duurt mijn sessie één getij, dus een zestal uurtjes.
De belangrijkste factor tijdens het geepvissen is dat je aas continu in beweging is. Daar doe ik in eerste plaats mijn voordeel mee, door het vissen met een lichte uitrusting. Dankzij deze uitrusting kan ik voortdurend nieuwe worpen maken zonder me een lamme arm te werpen.
Vele geepvissers vissen met vrij zwaar materiaal, zo ver mogelijk ingooien, hengel in de steun en afwachten maar. Als het hard stroomt zullen ze zo immers ook wel een visje kunnen vangen, maar des te minder stroom, des te langer duurt het vooraleer ze terug dienen in te gooien en in tussentijd hangt het aas daar maar op “non-actief” te bungelen.
Nee, het moet bewegen, en als je het steeds binnen sleept, beweegt het des te harder, omdat het tegen de stroom in, of haaks erop wordt binnengevist. Je vist zo ook een groter gebied af en zoekt actief de vis op, net als kunstaasvissen op snoekbaars…
Of je wisselt je visplek wat af, door vroeger of later dan voorheen je aas binnen te vissen. Keuze genoeg, dat is wat de gepen willen.
Door de drijvende dyneemalijn kan je continu contact houden met de dobber en je voelt het minste beetje van de geep ermee.
Soms kan het zijn dat het aas even wordt tegen gehouden, zonder dat er verder iets gebeurd. Enkele korte tikken kunnen het begin zijn van een aanbeet. Deze tikken zijn het gevolg van een geep die wel wat in je aasje ziet. Hij inspecteert het met zijn lange snavelbek.
Hierop dien je te reageren door bv, stoppen met draaien, effe wachten, om even later eens te “voelen” of er nog wat aanhangt. Eventueel beugel open zetten en wat lijn afgeven, kortom wachten tot de vis echt doorbijt. Met deze trucjes moet je hem uit zijn kot lokken.
Een andere truc die je nog kan toepassen is één of meerdere loodhagels ( type AA) op je onderlijn knijpen. Hierdoor loopt je aas net wat dieper en kan een twijfelaar alsnog over de streep getrokken worden.
Natuurlijk gebeurt het niet altijd zo twijfelachtig en duiken ze er vaak gewoon op en springen aan de lijn uit het water of geven een flinke snok op de hengel. Dat zijn dan de vissen die vol aanbijten en die haast iedereen kan vangen. Die andere zijn de bonusvissen die je met aangepast, licht materiaal sneller over de streep zal trekken.
Het spelletje wordt al helemaal leuk als het laag water is, geen stroming en liefst nog tijdens de avondschemering.
Je hoort de “plop” van je dobber en begint rustig binnen te vissen. Plots zie je enkele kringen achter je aas, deze kringen zijn het gevolg van een geïnteresseerde geep die met zijn lange snavel tegen je aas tikt. Door bovengenoemde trukendoos open te trekken kan je de meest sluwe gepen verleiden.
Het geepvissen met aangepast materiaal is zo fijn, dat je haast zou willen dat de gesloten tijd net een tikkeltje langer zou duren…
Vang ze,
Aan één ieder een spetterende seizoensopening toegewenst,
groeten,
Van Opstal Jelle













